Cultureel Netwerk de SterHomeSitemapHerbouwVriendenHistorieBoekingenMolenerfEducatieCultureel programmaBezoekersinformatieNieuws van de molenaarsAdresgegevens Houtzaagmolen De SterHomeVrijwilligersVerhuurActiviteiten

Materialen voor den timmerman

De schoolschriften uit de nalatenschap van A. Meerbeek.

In een eerder stukje schreef ik over het onderwijs in het vak timmeren op de voormalige ambachtschool aan de Schoolstraat in Utrecht, en dan in het bijzonder over het onderdeel materiaalkennis.

Ik heb besloten om de schriften van Bart Meerbeek uit te gaan schrijven en op de site te plaatsen.


















Piet van Os

november 2009

Vorige column Volgende column Overzicht columns

Van de molenaars

Levend erfgoed
De Ster
Snuiftabak
Biermolen
Sergeanten

intro over het Molenerf
jaarverslag 08 |
07 |06 |05 |04 |03 |02
archief van de molenaars 2010
2009 | 2008 | 2007 | 2006 |
2005 | 2004 | 2003

Materialen voor den timmerman

Onder de materialen, die door den timmerman, verwerkt en bearbeidt worden, bekleedt het hout de eerste plaats; verschillende verbindingsartikelen zoals: spijkers, schroeven, ankers, lijm enz., worden wel door hem gebruikt tot bevestiging en verbinding, maar niet door hem bewerkt.

Talloos velen zijn de boomsoorten die geschikt hout opleveren om bearbeid te worden. Het is een voortreffelijk materiaal, dat zich met behulp van gereedschappen tot veel doeleinden laat verwerken. Het hout is het hoofdbestanddeel van de stam, en is omsloten door de schors. De stam is dat deel van de boom, dat ons in hoofdzaak het bouwmateriaal levert. In het algemeen wordt het in ruwe vorm aan den vakman geleverd onder de naam van rib- , plaat- en deelhout. Wij zullen ons dus in hoofdzaak meer uitgebreid bepalen bij die soorten, welke het meest door hem bearbeid worden.

Algemeen overzicht

Aan elke boom zijn vier hoofddelen te onderscheiden, n.l. de wortels, de stam, de takken en de bladeren.
De bomen groeien doordat de wortels verschillende stoffen uit de grond opzuigen, en deze door de vezels van stam en tak opstijgen naar de bladeren. Hier treedt uit de lucht zuurstof en koolstof toe, en worden deze stoffen omgezet in voedingsstoffen. De voedingstoffen dalen dus uit de bladeren neer tussen het hout en de bast van takken en stammen en vormen daar nieuw hout naar binnen en nieuwe bast naar buiten. Zo verkrijgt het hout ieder jaar een laag; deze zet zich van buiten tegen de oude lagen onmiddellijk onder de schors vast. De binnenste lagen worden langzamerhand vaster doordat ze aanvankelijk veel vochtdelen bezitten, die er uittrekken naarmate de lagen verder in de boom komen.
Zaagt men een stuk van een boomstam af, bijv. van een inheemse soort, schaaft men het kopvlak met een scherpe blokschaaf glad en bezien we het kopvlak, dan merkt men verschillende delen op. Zie plaat 1, fig. : 1
Het inwendige gedeelte (m) noemt men merg of hart, waar omheen zich een aantal ongeveer evenwijdig lopende cirkels bevinden; dit zijn de jaarringen. Deze jaarringen geven een duidelijk beeld van de regelmatige terugkerende groei van de boom. Een eenjarige stammetje bestaat uit een mergkoker waar omheen een houtring en een schorsring. Elk jaar wordt weer een nieuwe laag schors enerzijds afgezet. Elke nieuwe houtlaag vormt een kegel, die de vorige omsluit, zodra de boom weer één jaar ouder is. Wenst men dus de ouderdom van de boom bij benadering te kennen, dan zaagt men deze bij de voet door, waar men het grootst aantal jaarringen vindt. Is de groei van de boom onregelmatig, dan worden meer of minder houtringen in een jaar gevormd.
Een bijzondere afwijking in de bouw van het hout zijn de ,,dubbele jaarringen”. Deze ontstaan wanneer de wassende boom in de eerste tijd van de lentebloei getroffen wordt vorst of brand, of sterk aangetast wordt door de rupsen. Hierdoor verliest hij zijn pas gevormde bladeren terwijl later weer jong groen gevormd wordt, waardoor nieuwe levenssappen toevloeien, die tot verse houtvorming, dus tot een nieuwe ring leiden; daardoor ontstaat dan een tweede ring, vlak tegen de eerste aan, derhalve een dubbele ring vormend.
Ook langdurige droogte in het voorjaar en de voorzomer, waardoor de bladeren verdorren en afvallen, gevolgd door een flinke regenperiode, geeft aanleiding dat de boom opnieuw uitloopt met fris blad en dus weer een tweede onmiddellijk aansluitende jaarring vormt. Vandaar dat men de ouderdom van de boom, bij benadering uit het aantal jaarringen kan bepalen.
Het vlak van een doorgezaagde boom, voor 't eind gezien, wordt kopvlak en het hout kopshout of eindelingshout genoemd. Daartegen spreekt men van langshout, als de houtvezels evenwijdig aan de lengte-as van de boom lopen. Bezien we het kopshout nader, dan merkt men ten eerste in het midden de mergkoker, het hart genoemd, hier omheen het hout, daarna de opperhuid, de bast en de schors. Zie plaat 1, fig. : 2
Naarmate de boom ouder wordt, zal het hout om het hart vaster (rijper) zijn, dit wordt het kernhout genaamd. De buitenste jaarringen van de boom (het hout) bevatten te veel sappen; ze zijn bij vele houtsoorten nog te onrijp en te los om als timmerhout gebruikt te kunnen worden, ze zijn dan zeer vatbaar om tot bederf over te gaan en bekend onder de naam van ,,spint”.
In het algemeen kan men de buitenste 12 à 15 jaarringen van de boom als spint beschouwen, daar deze ongeveer 15 jaar nodig hebben om tot vast hout over te gaan of te rijpen. Bovendien merkt men nog door het hout straalsgewijze strepen op, die spiegeldraden of mergstralen worden genoemd, en gedeeltelijk van de schors naar het hart toelopen. Het kloven van het hout geschiedt het gemakkelijkst volgens deze spiegeldraden. De oorzaak, waardoor de jaarringen bij vele soorten zoo sterk te onderscheiden zijn, ligt hierin, dat de houtvorming in het voorjaar sneller gaat, en dus losser is dan in het najaar. Elk voorjaar zet zich weer een nieuwe laag tegen de oude; dit is dus de jaarring. Dat de afscheidingsringen of najaarslagen vaster zijn dan het daartussen liggende, bespeurt men dadelijk bij het schaven van kopshout; is de schaaf niet beslist scherp, dan blijven juist deze ringen zitten.

Geschikte tijd voor het vellen der bomen

Hoewel het vellen der bomen niet direct onder de werkzaamheden van de timmerman behoort, is het toch goed er even bij stil te staan. Omtrent het tijdstip, waarop de bomen geveld moeten worden, lopen er meningen uiteen, maar toch neemt men vrij algemeen aan,dat het hout, om geschikt te zijn voor timmerhout, in de wintermaanden, en wel november tot het einde van februari, moet worden geveld; het is echter een feit, dat de duur van het timmerhout afhangt van de veltijd in die vier maanden. Proefondervindelijk is gebleken dat het hout, geveld in het laatst van december tot half januari de levenskrachten in de boom aanvangt, [ontbrekend gedeelte?] terwijl zich een nieuwe laag hout en schors van buiten vestigt. In december zullen de sapbuizen het minste sap bevatten. Wordt de boom later in maart of april geveld, en blijft hij enige dagen na het vellen met de takken liggen, dan wordt een groot gedeelte van de in sapvaten zijnde vloeistof door de bladeren uitgedampt, alvorens de gisting der sappen volgt. Op deze wijze wordt de verwoesting van het [hout] wel enigszins verminderd. Toch komen uit dit late vellen weder gewichtige nadelen voort. Het hout verliest door het onttrekken der sappen der sappen het grootste gedeelte van zijn veerkracht en draagvermogen.
Het vellen der bomen geschiedt in de hoofdzaak op drie manieren: ten eerste door de wortels te ontbloten en af te kappen, ten tweede uit de pan hakken [?] boven de grond af te kappen, ten derde door de stam boven de grond door- of af te zagen. Men gebruikt in de laatste tijd ook elektriciteit voor het ,,afsnijden” van bomen.
In Duitsland en ook bij de Nederlandse Heidemaatschappij wordt in vele gevallen de zogenaamde ,,boomrooimachine Stendal” in toepassing gebracht, waarmede men in staat is de stam in ene bepaalde richting te doen vallen. Het werktuig wordt vervaardigd in twee grootten. Elke machine kan door 2 man bediend worden.
De gevelde stammen worden, na van takken ontdaan te zijn, voor zover zij niet tot masten, heipalen, enz. gebruikt worden, veelal in de bossen vierkant behakt of beslagen, ten eerste om het opdrogen te bevorderen, ten tweede om het vervoeren gemakkelijk te maken.
Het bewerken der gevelde bomen geschiedt in Rusland op ene bijzondere wijze; de houthakker bezit daar te land [e]en grote handigheid in het hanteren van de bijl; hij bewerkt daarmede de boomstammen zowel in de lengte als in de dikte, waardoor klossen ontstaan, die later voornamelijk als dwarsliggers worden gebruikt, en hoofdzakelijk naar Duitsland, Nederland en Engeland worden uitgevoerd.
Men kan de rivieren, van belang voor het houtvervoer, als volgt indelen; ten eerste die in de Witte Zee, ten tweede die in de Zwarte Zee, ten derde die in de Oostzee uitmonden. Het vervoer van de stammen geschiedt doorgaans tot aan de rivieren met wagens, in bergachtige streken laat men ze veelal door daartoe ingerichte goten of banen van de hoogte glijden. In de rivieren worden de stammen tot vlotten verenigd, om zodoende de rivier afwaarts te worden vervoerd. Noors vuren- en grenenhout wordt over de meren gevlot tot aan de havens en wordt vandaar in schepen over zee aangevoerd.
Ter bevordering van de duurzaamheid van het hout worden de boomstammen ook na het vellen enigen tijd in het water gelegd om uit te logen, d.w.z. de sappen in het hout aanwezig, te verdunnen en uit te drijven. Het is veelal gebruikelijk dat de bomen in stromend water worden gelegd met de worteleinden tegen den stroom in.

Bergen en drogen van het hout

Het is van groot belang hieraan grote zorg te beteden; dat voorkomt veel bederf en gebreken. De gevelde stammen, die nog enige tijd in de bossen blijven liggen, worden, om niet onmiddellijk met de grond in aanraking te komen, op andere stukken, zgn. kolders, gerold. Zie plaat 1. Fig. 3.
Zijn de stammen beslagen en moeten zij nog korte tijd blijven liggen, dan is het beslist nodig deze af te dekken ter beveiliging tegen de zonnestralen; dit zal het scheuren voorkomen. Dunne sparren, die gebruikt worden voor ladderbomen, vlaggenstokken, vaarstokken enz. worden op de houtwerf niet opgestapeld maar overeind geplaatst en vastgesjord; dit voorkomt het kromtrekken en bespoedigt, doordat de wind er doorblaast, het drogen, terwijl voor het regenwater alles in zijn geheel van boven wordt afgedekt.
Het behoeft geen betoog, dat timmerhout, droog zijnde, verre te verkiezen is boven datgene, dat vers gezaagd is. Het timmerhout wordt dus, nadat het gezaagd is, gedroogd; hieraan behoort veel, zeer veel zorg besteed te worden. Men voorkomt hierdoor zoveel mogelijk het scheuren, scheluw en kromtrekken en verstikken.
Het drogen kan plaats hebben langs natuurlijke en kunstmatige weg. Wat het eerste betreft wordt het hout, dat in het najaar gezaagd is, gedurende de winter op latten aan stapels gelegd en doelmatig afgedekt. Tussen de ruimte kan de lucht doorspelen, en daar deze in de winter minder droog is , zal het niet zo spoedig scheuren.
Vooral voor zwaardere stukken is met deze wijze van drogen veel tijd gemoeid, en , daar er een aanzienlijk renteverlies aan verbonden is en de houthandelaars voor dergelijk gedroogd hout niet een evenredig hogeren prijs kunnen bedingen, wordt het hout in het algemeen te nat verwerkt.
Het drogen van grenen- en vurenhout is in ± 10 maanden zoverre gevorderd, dat het van de stapellatten genomen en opgestapeld kan worden. Het is echter verstandig, om het blauw worden en verkleuren tegen te gaan, het hout van tijd tot tijd te verstapelen, en zo nodig, nog meer aan de lucht bloot te stellen. Is het hout, op deze wijze, behandeld dan noemt men het ,,winddroog”; wordt dan in open doch overdekte loodsen opgestapeld en in de handel gebracht.
Nog zij opgemerkt, dat deze stapels niet direct op vochtige grond, maar op liggers of ribben komen te liggen. Dit voorkomt verstikking. Hoewel het hout winddroog in de handel komt, is het nog niet voor alle timmerwerk te gebruiken. Vooral voor fijn timmerwerk, zoals verschillende binnenbetimmeringen, ramen, voordeuren, enz., is het beslist nodig, om het z.g. werken te voorkomen, dat het ,,indroog” is. Het is goed dat men, nadat alle onderdelen van een te maken voorwerp uitgezaagd zijn, voor het klaargemaakt wordt, nog eens uit laat werken. Plaatst men de stukken in de zon, dan zet men de ronde kant voor, om het scheuren te voorkomen; vooral bij ribhout is dat nodig.
Voorts herinneren wij er nog aan, hoe zware balken om het scheuren te voorkomen, en het regelmatig krimpen te bevorderen, in de lengterichting worden doorboort (zie plaat2. Fig. 2.), dit kan evenzeer, met het oog op het drogen van trappalen, kolommen enz., ten zeerste worden aanbevolen.
Deze natuurlijke wijze van drogen, is echter kostbaar wat arbeidsloon betreft, daarom heeft men vooral op grote timmerfabrieken doelmatige inrichtingen uitgedacht om het hout kunstmatig te drogen, z.g. ,,droogstoven”. Dit zijn afgesloten lokalen, die van onderen door een buizennet van pijpen worden verwarmd. Het hout wordt hierin op latjes gelegd, liefst op de te gebruiken lengten afgekort en verwarmd.
Op deze wijze gedroogd zal het nagenoeg niet scheuren, terwijl in een goed ingerichte droogstoof het grenen- en vurenhout in 4 dagen, en het eikenhout in 8 à 10 dagen 40% van zijn gewicht verliest zonder in weerstandsvermogen achteruit te gaan. Voor zover het te doen is om kleinere stukken hout, die men volkomen krimpvrij tracht te maken, gaat aan het kunstmatig drogen somtijds een bijzondere behandeling vooraf, bestaande in het koken in water of waterige oplossingen, uitstomen, enz. In sommige gevallen geschiedt dit ook om aan het hout tijdelijk een bijzondere buigzaamheid te verlenen, vooral voor meubelwerk; speciaal geschiedt dit met het beukenhout bij de z.g. Wenermeubelen; en in de rijtuigmakerij met het iepenhout.
Zagen we reeds, dat men om het hout beslist droog, indroog te maken de z.g. droogkamers in toepassing brengt, evenzo heeft men ook middelen om het hout buigzaam, ja zelfs geheel week te maken, zodat het voor veel doeleinden kan worden gebruikt. Gewoonlijk wordt die buigzaamheid verkregen, door het hout aan stoombewerking bloot te stellen; enigen tijd in de vochtige damp geplaatst, begint het lenig te worden. Vooral beuken en in het bijzonder rood beukenhout heeft die eigenschap. Vandaar dat men in Oostenrijk in hoofdzaak de z.g. Wenermeubelen van rood beukenhout vervaardigt. Wanneer men het hout echter voor die bewerking 24 uur in een oplossing van verdunt zoutzuur brengt (1 deel zoutzuur tegen 3 delen water), en het daarna uitstoomt, dan wordt de buigzaamheid des te groter. Enkele soorten worden zelfs zo week, dat het in vormen geperst kan worden.

Verschillende houtsoorten

Voor wij nu tot het bespreken van de verschillende gebreken, de oorzaak hiervan, het trekken, krimpen en scheuren, en bederfwerende middelen overgaan zullen we eerst de verschillende houtsoorten, die door den timmerman en de meubelmaker verwerkt worden, bespreken.


De naaldbomen

Verreweg het meeste materiaal, dat door den timmerman verwerkt wordt is van naaldbomen afkomstig. Kozijnen, deuren, ramen, trappen, kappen enz. worden van dit hout in hoofdzaak vervaardigd. Tot de naaldsoorten behoren het grenenhout, Amerikaans grenenhout, vurenhout, dennenhout, lorkenhout en cypressenhout. De naaldbomen ontlenen hun naam aan den vorm der bladeren, die naald- of kegelvormig zijn.

Grenenhout

Het grenenhout is afkomstig van de grove den (Pinus Sylvestris), waarvan op de zandgronden in ons land nog gehele bossen worden aangetroffen. Het komt hier echter niet in voldoende afmetingen voor om enige waarde te hebben voor de zaagmolens, dus voor timmerhout, maar wordt grotendeels tot heipalen verwerkt, z.g. masten en palen; een groot deel wordt ook aangewend naar België ten dienste van de mijnbouw; takken met de tijgen gebruikt men als rijshout bij waterwerken. Ons inlands hout levert dus weinig bruikbaars voor den timmerman.
De grove den onderscheidt zich van de naaldbomen die het Denen- en vurenhout leveren hierin, dat zijn takken naar alle zijden loten schieten. De stam van de grove den is enigszins koperkleurig; de kruiselings gespleten schors bladert bij laagjes af. De naalden zijn langer dan die van de de fijnen- en van de zilverspar, en zitten aan bosjes aan de takken. Het grenenhout onderscheidt zich van vuren en dennen door zijn bijzondere harsrijkheid. Beziet men het kopvlak, dan is het herkenbaar aan de donkere kleur der jaarringen; de kwasten zijn roodbruin en niet hard, terwijl tevens het verschil tussen kernhout en spint zeer in het oog loopt. Het laat zich goed bewerken, en is voor buitenwerk, nl. voor kozijnen, ramen, deuren enz., zeer geschikt.
Bij de bewerking verspreidt het een geur, die naar hars en terpentijn ruikt. Uit het hars van grenenhout fabriceert men terpentijn, terpentijnolie, pek en zwartsel. Het grenenhout is in de handel onder de naam van rib-, plaat-, en dalhout en wordt veel verkocht per m_ en per blok.
Zeer goed grenenhout komt uit Sunsvall in Zweden. De invoer van ronde balken vermindert echter sterk in ons land. Een nieuwe bron voor dat hout is de Witte Zee Archangel, Onego en andere kleine havens, dat het Oostzeehout in alle opzichten overtreft. Van de uitvoerhavens Riga, Kroonstad en Nerwa werd vroeger een goede soort grenenhout aangevoerd. Tegenwoordig is de uitvoer hiervan geringer en beperkt zich meest tot 2e en 3e soort.
Het schoonste Duitse grenenhout komt van de Main. Danziger en Memels grenen is van veel geringere kwaliteit; vooral het Memelse is ruw, spintig, met grote kwasten bezet en voor fijn timmerwerk ongeschikt.

Amerikaans grenenhout

Noord-Amerika levert grenenhout, algemeen bekend onder de naam van Amerikaans grenenhout. In de laatste jaren is de invoer van dit hout geweldig toegenomen, het wordt in zware balken aangevoerd en in de handel gebracht. Dit hout is zeer rechtdradig. Het heeft veel overeenkomst met het Europees grenenhout; het is evenwel harsrijk en wordt naar het vetgehalte onder veel namen verkocht.
[de beschrijving van vermoedelijk het Pitch-pine ontbreekt]
Ten 2e, het Yellow-pine: dit is minder vet; de hars wordt uit de stammen getapt; het is voor binnenbetimmeringen, wanneer de grote kwasten wegvallen, zeer goed te gebruiken.
Ten 3e, het White-pine: dit heeft een zachte, lichtgele tint, is zeer fijn van draad, laat zich best bewerken, krimpt en trekt weinig en is voor blank werk zeer aan te bevelen en is voor blank werk zeer aan te bevelen.
Ten 4e, Wang-pine: dit heeft meer een rose tint; het wordt zowel door den timmerman als door den meubelmaker voor blank werk veel gebruikt; het bezit echter met het onder 3 genoemde tal van kleine scheurtjes, die als een nadeel van dit hout moeten beschouwd worden.
Ten laatste het Cochin-pine, dat minder kwasten heeft dan Pitch-pine; het komt in zeer grote afmetingen voor. Dit hout is zeer rechtdradig, doch laat zich niet goed glad schaven. Het komt hoofdzakelijk uit Oregon. Over het algemeen is het Amerikaans grenenhout goed tegen het weer bestand, heeft grote draagkracht en is in zeer grote afmetingen verkrijgbaar. Het valt meermalen op, dat buitenbetimmeringen van z.g. blank Amerikaans grenenhout er spoedig vuil en onooglijk uitzien. De oorzaak hiervan is gewoonlijk dat zulk werk gevernist of gelakt is, voordat het behoorlijk tijd heeft gehad om uit te wasemen; men veronderstelt dat de harsachtige oliën de vernislaag ten dele oplossen en kleverig maken zodat er alle stofjes en onreinheden op vasthechten.
Het is wenselijk zulk blank werk vooral goed te onderhouden. Is het echter vuil geworden, dan is het nodig de lak te verwijderen, met brandende alcohol en het geheel met schraapstaal te bewerken. Is het schoon, dan moet zulk werk enige tijd onbedekt blijven, daarna dezelfde bewerking nog eens herhalen, vervolgens oliën met zuiver lijnolie en ten slotte overlakken met copallak 1e soort. Men bestrijkt het ook wel met een oplossing van gelatine en bedekt het daarna met een dunne laag lak. Hierna wordt alles weer nageschuurt en ten slotte overgelakt. Voor het oplossen der lak gebruikt men ook wel salmoniak en past dan dezelfde bewering toe als boven omschreven.

Vurenhout

Het vurenhout komt van de fijne spar (Picea excelsa), een naaldboom, die veelvuldig voorkomt in Noord- en Midden-Europa. Vurenhout is tamelijk rijk aan hars, maar toch niet in die mate als het grenenhout; het mist de eigenaardige reuk van het laatstgenoemde, heeft bleke kwasten of noesten en geen zichtbare grans tussen kernhout en spint. Het wordt in hoofdzaak aangevoerd uit Zweden en Noorwegen, de landen langs de oostkust van de Oostzee. Hoewel men spreekt van Riga's, Nerva's, Sundvalls en Koperwijks vurenhout is dit niet altijd de plaats van herkomst, maar veelal de haven waar het verscheept wordt. Het Zweeds vurenhout is fijner van draad, vaster en veerkrachtiger dan Russisch en minder onderhevig aan krimpen en uitzetten. Vurenhout is niet bestand tegen het weer, vandaar dat het voor buitenwerk niet duurzaam is, doch voor binnenwerk algemeen gebruikt wordt. Het laat zich goed en glad bewerken en is [in] de handel onder de naam van deel-, plaat- en ribhout in alle courante maten verkrijgbaar. Het vuchten of Duits vurenhout is niet zo goed als het bovengenoemde, het is grof, ruw en kwastig; wordt meestal tot balken gezaagd, omdat het zwaar van afmeting is. Het is ongeschikt voor buitenwerk, daar het niet bestand is tegen weer en wind; heeft te weinig hars, en wordt veel voor binnentimmeringen gebruikt.
Grote hoeveelheden vuren heipalen worden alhier onder de naam van bovenlandse dennen uit Duitsland ingevoerd. Zij hebben boven de inlandse masten en palen dit voor, dat zij meestal recht zijn, dus zeer geschikt voor funderingshout, doch zijn als zij langere tijd in de lucht blijven liggen, spoedig aan bederf onderhevig.

Dennenhout

De zilverspar (Abies pectinata) levert ons het dennenhout. Het is een boomsoort, die bij vergelijking met de fijne den een aantal punten van verschil oplevert; de algemene vorm van de boom is minder regelmatig; doordien de top [op] later leeftijd achterblijft, en de takken zich sterk ontwikkelen en een brede kroon vormen.
De takken van deze spar zijn in vele gevallen ongeveer onder een rechte hoek aan de boom gegroeid, de naalden zijn aan de onderzijde lichter groen van kleur dan aan het bovenvlak. En toch is het een bekend feit, dat Denen- en vurenhout moeilijk te onderscheiden houtsoorten zijn, zodat dikwijls de namen der bomen door de houthandelaars worden verwisseld, en te goeder trouw vuren in plaats van dennen gekocht en verkocht wordt.
Het onderscheid is intussen te allen tijde aan te tonen, doordien het dennenhout geen harsporiën bezit. Het kopshout is veel bleker, enigszins paarsachtig, terwijl de jaarringen niet zo sterk spreken, maar toch duidelijk zichtbaar zijn. Ook in het langshout is het verschil duidelijk, de kwasten zijn zwartachtig bruin en zeer hard.
Het dennenhout is zacht, taai en veerkrachtig, maar niet bestand tegen afwisselend weer. Het is zeer geschikt voor funderingswerk en binnenshuis voor balklagen en kaphout. Grote dennenbossen vindt men in Zuid- en Midden-Duitsland. Het schoonste dennenhout komt uit Schwarzwald in Baden en uit Wurtemburg, en overigens voornamelijk uit Beieren, Oostenrijk en Tirol.
Het sap, dat door boorgaten uit de stam wordt verkregen, de z.g. Straatsburger terpentijn op.

Lorkenhout of larix

Onder de timmerhout leverende Europese, ook hier te lande groeiende, naaldbomen moet de lork of larix nog genoemd worden.
Het hout van den lorkenboom is zeer geschikt voor timmerhout, vaster, taaier en harder dan grenen, waarmede het, wat uiterlijk aanzien betreft, het meest overeen komt. Het is een boom met zeer weinig spint, het kernhout is roodbruin van kleur en wat donkerder dan het grenenhout. Het wordt hier te lande steeds meer gebruikt.
Lorkenhout is bestand tegen de buitenlucht, laat zich goed bewerken en wordt niet spoedig door worm aangetast.
Voor het leveren van timmerhout heeft deze boom het nadeel, dat de stam nogal kegelvormig opgroeit, waardoor hij aan het topeinde vrij wat dunner is dan aan het ondereinde. Uit de stam verkrijgt men Venetiaans terpentijn; de bast doet dienst bij de bereiding van leder.

Cypressenhout

Het cypressenhout heeft fijne jaarringen en is een vaste houtsoort, welke in Amerika groeit, en van daar hier te lande wordt ingevoerd. Deze houtsoort is duurzaam in de buitenlucht, weinig onderhevig aan trekken en krimpen, en daarom zeer geschikt voor fijn timmerwerk. Het wordt in regel uit Noord-Amerika aangevoerd in rechtkant bezaagde platen van 4 tot 6 meter lengte, 10 cm. Dikte en 40 of 60 cm. Breedte, zonder kwasten of spint. Verder heeft men ook nog onder het Amerikaans naaldhout, het z.g. wit en geel pijnboomhout, welke soorten hier in de handel weinig voorkomen.

De loofbomen

Tot de loofboomsoorten behoren zeer vele, zowel in- als buitenlandse boomsoorten. De meeste door de vakman gebruikte soorten zullen wij in het kort bespreken.

Het eikenhout

Het eikenhout is afkomstig van 2 verschillende boomsoorten; en wel van de gesteelde of zomereik, en van de ongesteelde of wintereik, ook steeneik genaamd. Tussen het hout van beide genoemde soorten van bomen, welke in Europa, Noord-Amerika en Azië groeien, wordt in de praktijk geen verschil gemaakt. Evenwel wordt in het algemeen aangenomen, dat het hout van de wintereik taaier, harder en vaster is dan dat van de zomereik. De bladeren van de zomereik vallen vroeger af dan die van de wintereik; de eikels zitten aan langer stelen aan de takken. Bij de wintereik zitten de eikels bijna zonder steel aan bosjes van 3 tot 12 stuks aan de takken. Het eikenhout heeft een helder bruine kleur. De spiegels en weegstralen komen sterk uit zodat hij zich als glinsterende vlekken voordoen in het hout. In het timmerwerk vindt het veelvuldige toepassing voor die delen, die bij geringe afmetingen, sterk en duurzaam moeten zijn, vooral bij buitenwerk. Door den meubelmaker wordt het veel gebruikt voor het vervaardigen van meubels en fijne betimmeringen. Het eikenhout behoort tot de beste houtsoorten; het is buitengewoon duurzaam en ook tegen afwisselend weer bestand; het laat zich glad en zuiver bewerken, is zwaar, hard, vezelig en taai en voor veel doeleinden zeer geschikt. Wegens de vele in het hout voorkomende poriën is het minder geschikt om gepolitoerd te worden, doch des te beter om in de was te worden gezet. Het spinthout komt tegen het kernhout vrij sterk uit. Bij het gebruik moet het spint beslist verwijderd worden, aangezien het gemakkelijk en spoedig door de worm wordt aangetast. Het eikenhout wordt uit Duitsland aangevoerd, hoewel het uit Zuid-Rusland aangevoerde, het z.g. Noorse, fijner is.
Het hier te lande groeiende is wel deugdzaam maar grof, warrig en krom. Het eikenhout, aangevoerd uit Oldenburg, kenmerkt zich door taaiheid, en wordt veel gebruikt door wagenmakers en kuipers.
Verschillende soorten worden ook uit Amerika aangevoerd, onder welke dat afkomstig [is] van ,, de altijd groene eik”; dit hout een donker geelbruine kleur, is taai en duurzaam, doch niet best te bewerken. Het is in aanzienlijke afmetingen verkrijgbaar en wordt gebruikt bij de scheepsbouw.
De ,,witte moeraseik” groeit in het zuidelijk deel van Noord-Amerika; de ,,rode eik” in Canada en meer noordelijke staten; de ,,zwarte eik'' levert een houtsoort welke dikwijls voor kuiperswerk wordt toegepast.
Het eikenhout wordt thans minder gebruikt dan vroeger, is minder voorhanden en wordt hierdoor in vele gevallen te kostbaar.
Het in de handel voorkomende eikenhout wordt verdeeld in klos- en stukhout, het laatste weer in onderdelen, waarvan het wagenschot het voornaamste is. Onder kloshout verstaat men het op de gewone wijze uit de boomstam gezaagde hout, terwijl het stukhout in stukken van bepaalde lengte is gekloofd. Zie plaat 3 fig. 2.
Voor wagenschot of eigenlijk ,,wandschot” neemt men zeer rechtdradig opgegroeide bomen. De uit gekloofde stukken gezaagde planken behouden aan één zijde spint. De stammen worden afgekort op lengten van 2 tot 4 meter. Het wagenschot laat zich mooi bewerken en wordt voor fijn timmerwerk en voor meubels gebruikt. Zoals reeds boven is gezegd, wordt het eikenhout uit Duitsland aangevoerd en wel van de Rijn, de Moezel en de Wezel. Het Rijns eikenhout is van beste kwaliteit, omdat het hard, vlezig en duurzaam is; het is bijzonder geschikt voor sluizen, brug- en scheepsbouw. Het hout van de Moezel is zachter, en wordt, zoals wij reeds opmerkten, meer door den timmerman voor blank werk gebruikt, zolas voor buitendeuren, binnenbetimmeringen enz., en door den meubelmaker voor verschillende meubelen, omdat het zacht en blank van kleur is.
Het Wezels eikenhout is het minst geschikt voor fijn timmerwerk; het is ruw, krom en met kwasten bezet.
Het eikenhout komt in de handel voor onder verschillende benamingen en afmetingen, n.l. als molenassen (Rijns eiken), kloshout (Rijns eiken).
Lange en korte stukken, vierkant beslagen ter lengte van 3,5 tot 20 meter. Roeden (Rijns eiken) van onbepaalde lengte en dikte; krommen, te krom om gezaagd te worden, en knieën; dit zijn kleine kromme stukken. Het wagenschot of Moezels eiken wordt nog weer verdeeld in pijphout en vathout. Dit zijn alle gekloofde stukken Moezels eiken en worden dus in bladen gezaagd en komen in de handel voor als 2 duims of 5 cm.; als 1,5 duims of 3,7 cm.; 1_duims of 3 cm.: als 1 duims of 2,5 cm.; als _ duims of 1,8 cm.; als _ duims of 1,2 cm.; als _ duims of 0,9 cm.; deze laatst soort wordt ,,spreisel” genoemd.
Verder komen nog in de klein handel voor, de z.g. eiken veren, deze worden onderscheiden in kelderveren, twijfelaarsveren en zolderveren.
Het inlandse eiken wordt ook wel onder de naam van Zwols eiken in de handel gebracht.
In de laatsten tijd wordt veel Zuid-Russisch, Japans, Slavonisch en Amerikaans eikenhout in de groothandel gebracht.

Azijnhout

Een bijzonder taaie en vaste soort van eikenhout wordt onder de naam van azijnhout of azijnstokken in korte dunne stammen in de handel gebracht. Het wordt vooral gebruikt bij de molenmakerij voor tanden en kamraderen. Ook hamers en hamerstelen worden er van vervaardigd. Dit hout is afkomstig van de wintergroene of hulseik. De jaarringen zijn zeer moeilijk, soms in het geheel niet, te onderscheiden. Zijn kleur is veel meer roodachtig dan het gewone eikenhout. Het wordt uit het zuiden van Europa aangevoerd; vandaar dat men het ook wel Spaans eikenhout noemt.

Teak- of djatihout

Uit Voor- en Achter-Indië wordt ons het djatihout aangevoerd. In Engels Indië wordt het djatihout gewoonlijk teakhout genoemd, terwijl men het hout van den djatiboom op Java met den naam djatihout bestempelt. In deze gelijke houtsoorten is enig verschil op te merken, waarvan de oorzaak gevonden moet worden in de omstandigheden, dat de boom, die het teakhout levert in Engels-Indië, op vetter bodem en in dichte bossen groeit, terwijl de djatiboom, die men op Java aantreft, op meer magere zandhoudende grond voorkomt, waar de bossen minder dicht zijn.
Het Engels teakhout is zachter, meer rechtdradig, laat zich beter bewerken en is in grotere afmetingen te verkrijgen dan het Javaans djatihout. Het teak- of djatihout heeft veel overeenkomst met het Europese eikenhout. Het is voor verschillende doeleinden zeer geschikt, nog beter dan eikenhout tegen de invloeden van het klimaat bestand, heeft een grotere draagkracht en vastheid dan het eikenhout, is taai en werkt, goed droog zijnde, bijna niet. De kleur is lichtbruin, maar wordt in de lucht donkerder.
De houtvezels zijn gevuld met een olieachtig vocht, waardoor het hout een scherpe, zuurachtige lucht heeft en niet door de worm aangetast wordt, en waardoor ook belet wordt dat ijzer gaat roesten, waarmee het verbonden is. Het kan gebruikt worden onmiddellijk nadat het geveld is, zonder dat het vooraf behoeft gewaterd te worden. Het wordt in Indië veel gebruikt, en is zeer geschikt voor de scheepsbouw.
Hier te landen elders vindt het veel toepassing voor het maken van winkelpuien, buitendeuren en voor verschillende betimmeringen. Door de kalkdelen, die in dit hout voorkomen, ondervindt men bij de bewerking het nadeel dat het gereedschap spoedig bot wordt.
De belangrijkste uitvoerhavens voor teakhout zijn Moulmein, Bangkok en Rangoon.

Beukenhout

Het beukenhout, wordt in twee soorten onderscheiden en wel in wit en rood beukenhout. Het witte beukenhout van de z.g. haagbeuk, welke ook in Europa groeit, is vrij wit van kleur, zeer dicht, vast, hard en zwaar, en daarbij veel taaier dan het rode beukenhout. De spiegeldraden hebben slechts weinig donkerder kleur van de overige houtmassa. De jaarringen later zich slechts flauw onderscheiden. De boom heeft een gladde grijze schors en dubbelgetande, lederachtige bladeren, die aan de bovenzijde donker en aan de andere zijde mat lichtgroen van kleur zijn. Dit hout wordt meestal uit Spanje en Frankrijk aangevoerd en voor kleine werktuigen, gereedschappen , rollen enz. gebruikt. Het is zelden breder dan 35 à 40 cm.
Het rode beukenhout is bruin, van oude stammen zelfs tamelijk donker. Het heeft zeer in het oog springende, grote, blinkende, bruingekleurde spiegeldraden, doch is in zwaardere afmetingen overigens gelijkmatig van kleur. De jaarringen zijn duidelijker te onderscheiden dan bij het witte beukenhout. Dit hout is hard, zwaar, en goed te kloven, doch weinig veerkrachtig, zelfs enigszins bros en sterk aan kromtrekken onderhevig. Bij afwisseling van vocht en droogte is het spoedig vervuurd en ook aan wormstekeligheid blootgesteld. Onafgebroken onder water, of in het droge aangewend bezit het een tamelijk grote duurzaamheid. Deze houtsoort is in zwaardere afmetingen te verkrijgen dan het witte beuken.
Het wordt meestal uit Duitsland aangevoerd, doch wordt ook wel in ons land aangetroffen. Het wordt door den timmerman bij de bouw en door den meubelmaker voor meubelen weinig gebruikt, maar wel voor gereedschappen, molen -en wagenwerk; ook voor de de z.g. Wener meubelen waarbij door een bewerking in stoom, zoals wij reeds vroeger eens zeiden, de buigzaamheid van het hout bevorderd en het werken verminderd wordt.

Lindenhout

Lindehout is een zachte houtsoort. Het is afkomstig van de lindeboom welke in Europa groeit, en waarvan het hout een geelwitte kleur heeft. Men onderscheidt 2 soorten n.l. de kleinbladerige of steenlinde en de grootbladerige of zomerlinde. Het hout van de eerstgenoemde is wat grover en taaier, maar ook donkerder van kleur dan dat van de zomerlinde. Het lindehout heeft duidelijke jaarringen, het is zacht en laat zich gemakkelijk bewerken en is vooral voor steek- en snijwerk zeer geschikt. Als timmerhout wordt het niet gebruikt, maar bij voorkeur neemt men het voor tekenborden en soortgelijke voorwerpen en voor houtsnijwerk. Ook gebruikt de meubelmaker het gaarne voor werk dat zwart gepolitoerd moet worden.

Populieren of peppelenhout

Dit is afkomstig [van] de Canadese, van de witte, van de zwarte en van de Italiaanse populier of Lombardische wilg. Zij groeien in Europa, Azië en Afrika. Het hout is week, zwamachtig en laat zich gemakkelijk splijten, doch is ongeschikt om met de schaaf glad afgewerkt te worden; de kleur is geel of blauwachtig wit. Dit hout is zeer geschikt voor het maken van kisten, koffers, klompen en lucifers.

Essenhout

Het essenhout, hetwelk van de gewone es komt, is bij jonge bomen wit, bij oudere stammen bruinachtig geel en in het hart nagenoeg bruin. Het heeft weinig zichtbare spiegeldraden en brede jaarringen, die duidelijk zichtbaar zijn, omdat zij bruine, ronde, grove lange poriën hebben. De schors van de boom is asgrauw, en de bladeren komen in het voorjaar uit zwarte, bruinachtige, kleverige knoppen. Het hout is over het algemeen vast, duurzaam en vooral zeer taai.
Het scheurt niet gemakkelijk, doch wordt spoedig door de worm aangetast, en kan volstrekt niet tegen vocht. Bij afwisseling van vocht en droogte is het spoedig verrot, vooral indien het in de grond toegepast is. Om zijn taaiheid wordt het veel gebruikt door wagenmakers, voor spaken van wielen enz.; en ook voor het vervaardigen van landbouwgereedschapstelen en handspaken. Het wordt veel uit Hongarije aangevoerd en is in betrekkelijk zware afmetingen te verkrijgen. Het Hongaars essenhout kan door zijn eigenaardig golvende vlammen, vooral als het gepolitoerd is, een mooi aanzien geven. Het wordt ook wel in het meubelvak toegepast.

Hickorijhout

Hickorij heeft, als het geschaafd is, het uiterlijk van eikenhout. Het groeit en wordt aangevoerd uit Noord-Amerika, het is zeer taai en veerkrachtig en wordt voor dezelfde doeleinden toegepast als essenhout; het overtreft dit zelfs in elasticiteit.

Notenhout

Het hout van de gewone walnotenboom is bij jonge stammen licht van kleur en zeer zacht. Bij oude stammen echter is het hard, vast, fijn van nerf, kortdradig en roodachtig geel van kleur met donkerbruine en groenachtige vlammen. Hoewel het in geheel Europa en Perzië wordt aangetroffen, is echter het Franse en Italiaanse hout het meest gezocht. Het wordt voor het belijmen van fijne meubelen tot fineer gezaagd, en is voor politoeren zeer geschikt. Door gebrek aan inlandse notenbomen, waarvan het hout overigens in bruikbaarheid en eigenschappen vrijwel met het buitenlandse overeenkomt, wordt er veel Amerikaans notenhout aangevoerd, hetwelk afkomstig is van de zwarte walnotenboom. Het hout is grof van nerf en niet zo schoon als het Europese. In de laatste tijd, nu het al meer en meer in zwang komt om blank in de was gezette massieve meubelen te gebruiken, wordt van het notenhout zeer veel gebruik gemaakt, daar het fijn van draad is en zich goed laat bewerken.
Het is voor fijn werk, voor draaiwerk en fijne profielen uitermate geschikt. Dit hout laat zich gemakkelijk politoeren.

Mahoniehout

Het mahonie- of magahoniehout is één van de belangrijkste buiten-Europese, houtsoorten wegens het veelvuldig gebruik vooral in de meubelmakerswerkplaats. Het wordt ook veel gebruikt voor het betimmeren van fraaie kamers, lambriseringen, deuren enz.; voor salons in grote boten en voor eerste en tweede klasse spoor- en tramrijtuigen. Voor meubels gebruikt men tegenwoordig ook veel eiken- en notenhout, waardoor het mahoniehout wel enigszins op de achtergrond is geschoven.
Het mahoniehout, dat in 1565 te Trinidad het eerst ontdekt werd, is roodachtig bruin van kleur, meer of minder hard, donker, vast en deugdzaam naar gelang de plaats waar het groeit. Het is afkomstig van de mahonieboom, welke hoofdzakelijk op de West-Indische eilanden en in Midden-Amerika en Afrika groeit.
De boom wordt 25 à 30 meter hoog en krijgt een zeer aanzienlijke dikte. Vandaar dat men het hout in brede afmetingen kan krijgen. Onder de vele soorten, die in deugd en fraaiheid zeer van elkander verschillen, is wel het zogenaamde ,,bloemhout” het kostbaarste en het moeilijkst te verwerken. Daarom wordt het bijna altijd tot fineer gezaagd om er de voornaamste delen van meubelen mede te belijmen. Door het dwars door elkaar lopen der nerven en houtvezels en het daardoor ontstaan van staande, schuine en liggende nerven, heeft er, naar mate het licht erop valt, een kleurschakering plaats, waardoor donkerbruine vlammen en veren en naaldvormig versierde tekeningen in het hout ontstaan. Vandaar de benaming van ,,bloemhout”. Vers is het hout over het algemeen geelrood, meer of minder naar het bruine trekkende. Het Afrikaans is donkerroodbruin.
Enkele soorten worden met de tijd donkerbruin en eindelijk nagenoeg zwart. Het heeft smalle, niet sprekende jaarringen, kleine maar duidelijk zichtbare, glinsterende spiegeldraden en een menigte zichtbare poriën overeenkomende met die in het notenhout. Het rechtdradige mahonie laat zich zeer goed bewerken; hardheid en zwaarte, zowel als de hiermede gepaard gaande dichtheid en fijnheid, zijn in mahoniehout zeer verschillend.
De eerste plaats komt in dit opzicht toe aan het Afrikaanse mahoniehout, hoewel dit voor het overige geenszins het fraaiste is. Hierop volgt dat van St. Domingo. Ook het Jamaica [anse] wordt wel op prijs gesteld. Daarentegen bestaan er ook bijzonder slechte soorten, welke zeer licht, bleek, grof en poreus zijn, waaruit men veel suiker- en sigarenkisten vervaardigt. Het is verder week, rechtdradig en welriekend. Ongetwijfeld wordt ook het hout van enkele andere boomsoorten onder de algemene naam van mahoniehout in de handel gebracht, want anders laat zich de verschillende geaardheid der onderscheidene soorten van dit hout bezwaarlijk verklaren. Het hout is onder alle omstandigheden zeer duurzaam, niet blootgesteld aan wormstekigheid en weinig onderhevig aan krimpen en kromtrekken. Mahoniehout, dat op vers gezaagde plekken een vurig geelrood vertoont, verandert in de regel later zijn kleur in een fraai kastanjebruin, hetgeen men bij meubelen het liefst ziet.
Het vers gezaagd, een fraaie sterke rode kleur, dan wordt het in het vervolg zeer donkerbruin; doet het zich oorspronkelijk zeer bleek voor, dan wordt het lichter of het behoudt deze kleur. Deze laatste soort wordt natuurlijk het minst gezocht.

Cederhout

Het hout, dat in 't algemeen cederhout wordt genoemd, behoort tot het loofhout en is nauw verwant aan mahoniehout, dat in West-Indië en Zuid-Amerika inheems is. Het is lichter van kleur dan mahoniehout, losser van vezel, doch goed te bewerken en in grote afmetingen verkrijgbaar. Men gebruikt het voor de hulsels van porloden en maakt er sigarenkistjes en toonbankbladen van.

Iepen- of olmenhout

Iepen- of olmenhout is afkomstig van de gewone iep of olm en van de dwerg-iep, welke in Europa en Azië groeit. Dit hout biedt vooral een grote weerstand tegen splijten. Het wordt hoofdzakelijk door wagenmakers verwerkt. Het laat zich goed beitsen en politoeren. Het iepenhout is zeer taai en vrij vast, maar wordt spoedig door worm aangetast. Bij het timmeren gebruikt men het gaarne voor in olie geschuurde trappen; voor het steken van leuningwrongen is het zeer aan te bevelen.
Wat inlands iepenhout betreft is het gewaterd Zeeuws iepen het beste; het spint is steeds herkenbaar aan de lichtblauwe kleur en is zeer zacht.

Esdoornhout

Het esdoornhout is geelwit van kleur, met donkere stippen, zeer zacht en taai, laat zich goed bewerken en is weinig aan werking onderhevig. Veel wordt het gebruikt voor binnenbekleding van fijne meubelen, dozen, kistjes enz. en dikwijls in rijtuigfabrieken voor panelen, waarvoor het door zijn breedte en taaiheid zeer geschikt is.
Het wordt veel uit Midden-Duitsland aangevoerd, hoewel het ook in enkele bossen van ons vaderland wordt gevonden.

Erabelhout

Erabelhout komt van de Ahornboom, is lichtgeel van kleur en met kleine kwastjes bezet, die door een donkere ring zijn omgeven, terwijl er aderen van een bruingele kleur doorheen lopen. Het wordt veel aangevoerd uit Canada en is ook bekend onder de naam van Amerikaans Esdoornhout; het behoort dan trouwens ook tot dezelfde soort als het esdoornhout.

Elzenhout

Het hout van deze boom is licht en week, slijt goed en is grof en bros. Men gebruikt het gaarne voor gietmodellen, omdat het weinig trekt; gekleurd of gebeitst gebruikt men het voor nagemaakt mahoniehout. Het wordt ook veel gebruikt voor klompen en voor het fabriceren van triplex.

Palmhout

Het meeste palmhout, dat in Europa verwerkt wordt, is lichtgeel van kleur, zeer fijn van nerf, vast en zwaar. Het wordt uit Zuid-Europa, Noord-Afrika en Brazilië in stammen aangevoerd en veelal gebruikt voor tanden en spaken bij molenwerk. Ook voor fijne instrumenten, voor het maken van fijne draaiwerken en het inleggen van meubelen wordt het ook wel gebruikt. Het laat zich goed bewerken en politoeren.
Sommige palmbomen leveren een bijna zwart hout, dat in Europa echter weinig verwerkt wordt.

Buxhout

Buxhout wordt meestal verward met palmhout. Dit hout wordt uit het zuiden van Frankrijk, Italië en de kusten van de Zwarte Zee aangevoerd, en heeft duidelijk fijne jaarringen. Het is uiterst dicht, hard en vast en wordt behalve door houtgraveurs, die het boven alle andere houtsoorten verkiezen, door draaiers, instrumentmakers enz. verwerkt tot heften, knoppen en maatstokken. Het wordt veeleens vervangen door vlierhout, dat er wel enigszins op lijkt, maar grover, veel minder dicht, niet zo helder van kleur en veel meer aan trekken onderhevig is.

Ebbenhout

Het ebbenhout is blauwachtig van kleur, zeer vast en zwaar, en niet gemakkelijk te bewerken. Het wordt meestal uit Oost-Indië en de ZuidAziatische eilanden aangevoerd. Het Amerikaanse ebbenhout wordt minder dan het eerstgenoemde gebruikt, heeft een meer naar het rode groenachtige kleur en wordt meestal granadellenhout genoemd.
Het Afrikaans is geheel zwart. Het ebbenhout wordt alleen voor modellen en versieringen gebruikt. Voor meubelen, die men het aanzien van ebbenhout wil geven, wordt gewoonlijk een goedkopere houtsoort gebezigd, die door een beitsmiddel wordt zwart gemaakt; vooral voor draaiwerk leent het zich uitstekend.
De fraaiste stukken zijn koolzwart, en anderen bruinzwart en dikwijls komen er ook lichtere, ja, zelfs geheel witte strepen en vlammen in het binnenste van de boom voor, die de waarde van het hout zeer verminderen. Het spint is steeds wit; de fijnheid en de zwaarte zijn bij uitstek groot, doch tevens is er ook dikwijls een grote mate [van] broosheid aan eigen; het weefsel is zo gelijkvormig, dat men van jaarringen en spiegeldraden schier niets bemerkt.

Pokhout

Het pokhout is het zwaarste van alle bekende houtsoorten. De pokhoutboom groeit in West-Indië, voornamelijk op Jamaica, St. Thomas en Haïti. Dit hout heeft een groenachtige bruine of zwart bruine kleur, met geelachtige, zwarte overlangse strepen en witgeel spint. Het hout is sterk met hars doortrokken, uiterst dicht en van grote schier metaalachtige hardheid. Dientengevolge is het moeilijk te bewerken. Het is zeer warrig, niet te kloven en aanmerkelijk bros. Zijn hardheid en duurzaamheid maken het ten eerste geschikt voor vele voorwerpen, welke aan sterke afslijting onderhevig zijn o.a. katrolschijven, hamers, kegelballen, pletrollen enz.
Pokhout wordt verkocht per kilo

Palisanderhout

Het palisanderhout is blauwachtig rood van kleur, enigszins paars met zwarte aderen of strepen en heeft een eigenaardige, aangename reuk. Het wordt uit Amerika aangevoerd en voor het versieren van meubelen en het vervaardigen van kleine voorwerpen gebruikt.
Het laat zich goed bewerken en politoeren.

Wortelhout

Onder deze naam zijn vele houtsoorten bekend. Het is afkomstig van de worteleinden der bomen, doch somtijds ook van grote uitwassen, die op de stam onstaan en waarvan de houtvezels in alle richtingen door elkaar lopen en somtijds zeer schone partijen vormen. Het kan, om de moeilijkheid van bewerking en de brosheid, alleen als fineer gebruikt worden. De uitwassen van de stammen geven het fijnste en schoonste hout.
Deze uitwassen worden veroorzaakt door ouderdom van de stam, of ook omdat hij in een dode, steenachtige grond staat en dus geen voedsel genoeg krijgt.

Bolletriehout

Het bolletrie of bullytree, door de timmerlieden ,,paardenvlees” genoemd, wordt in Guyana voor timmerhout gebruikt. Het sap dat uit de stam van deze boom verkregen, levert de balata, die even als caoutchouc en gutta-percha voor vele industriële doeleinden wordt aangewend.

Blauw-gomhout

Het blauw-gomhout ontleent zijn naam aan de kleur van het jonge hout, dat een groenblauwe tint heeft, ofschoon de kleur van het hout van de volwassen boom gougeel of purperachtig bruin is. Het is een timmerhout, dat gunstig uitsteekt boven elke andere houtsoort voor sluis- en bruggenbouw. Het heeft een buitengewone draagkracht en blijft lang gaaf. Het is ook een deugdelijk hout voor dwasliggers, houtbestrating en algemene bouwwerken. De draad van het hout loopt dikwijls in elkaar en het is daardoor moeilijk splijtbaar. Blauw-gomhout wordt over geheel Tasmanië gevonden.

Stingij-barkhout

Deze boom levert eveneens een duurzame houtsoort, die voor vele doeleinden gebezigd wordt. Het hout is taai, recht van draad, zeer duurzaam en laat zich goed politoeren.
Stingij-bark en blauw-gomhout worden niet gauw door de paalworm aangetast, waarvan de oorzaak gezocht kan worden in de sterke olie, die in het hout aanwezig is. Het is in grote afmetingen verkrijgbaar. De boom komt over [het] gehele eiland Tasmanië verspreid voor.

Manbarklakhout

Dit hout afkomstig uit West-Indië is mede bijzonder geschikt voor waterwerk, daar het de enige houtsoort is, die volkomen tegen de paalworm is bestand. Het wordt geleverd in lengten van 10 tot 20 meter en 25 à 40 c.m. breedte. Het gewicht is 1200 k.gr. per m_.

Bruinhart

Bruinhart komt uit Suriname en is het sterkste en duurzaamste hout, dat daar wordt aangetroffen.
Men verhaalt van stukken hout van deze soort, die nagenoeg honderd jaar op de meest ongunsige wijze, tussen water en wind, zonder enige voorzorg gelegen hadden en toch goed waren gebleven. Het komt in Suriname in genoegzame hoeveelheid en in alle afmetingen voor en wordt voor scheepsbouw aanbevolen.

Groenhart

Groenhart is na het bruinhart de duurzaamste en beste der Surinaamse houtsoorten.
Het komt in de binnenlanden overvloedig voor, groeit met rechte stammen, is in alle afmetingen verkrijgbaar en is zeer goed voor timmerwerken. De kleur is bruinachtig, in het hart groenachtig.
De vaten van dit hout zijn met een eigenaardige vloeistof gevuld, die mettertijd tot een helder groen poeder opdroogt, dat bij bewerking aan het gereedschap blijft kleven. Het gorenhart is evenals het bruinhart zeer hard, sterk en hoogst moeilijk te bewerken; het behoort mede tot de houtsoorten, die het meest weerstand bieden tegen de paalworm.

Piet van Os

november 2009

Vorige column Volgende column Overzicht columns